Berkonia. Het is een vrij onbekend eiland ergens in de stille Zuidzee. Zoals gewoonlijk hebben ze daar andere gebruiken dan hier. Een van die gebruiken is wel heel opmerkelijk.
Eens per jaar komt daar met kerst een vreemd soort kerstman aan. Hij heeft geen baard, maar een klein snorretje. Hij heeft geen rood pak aan, maar een uniform en een pet of helm. Dolf, zo heet hij, laat zich rijden op een hoge wagen en steekt daarbij zijn arm gestrekt uit als groet.
Om hem heen heeft hij helpers. Het zijn geen elfjes zoals de kerstman heeft. Het zijn mannen die een grote neus hebben opgezet om onherkenbaar te zijn. Ze hebben blauw/wit gestreepte pakken aan en idem petjes op.
Joodse Job, zoals de hulp genoemd word, is een ware held op het eiland. Echt, een geweldige kindervriend die, zodra hij gespot word, door kinderen bedolven wordt onder de aandacht. Mogelijk dat de zak snoep, die hij, met zichtbare moeite meezeult, er enigszins iets mee van doen heeft. Daarnaast brengt Job cadeautjes rond in de nacht van 24 op 25 december, terwijl Dolf hen toegang verschaft tot het huis met zijn magische paard.
Er is echter een gemeenschap Joodse mensen op het eiland en zij vinden het gebruik aanstootgevend. Het doet deze gemeenschap pijn om deze muzelmannen (zo noemen de joden de persoon) te zien. Ze zien een pijnlijke karikatuur die niet past in de nieuwe tijd. Zij voelen zich ieder jaar weer als tweederangsburgers neergezet en hekelen de herinnering aan vervlogen tijden die in de Joodse geschiedenis zeer pijnlijk is.